Beschrijving
In de vroege kerk bestond de gewoonte pasgeboren kinderen onmiddellijk na de doop en het vormsel de eucharistie toe te dienen, onder de gedaante van wijn.
Ook na hun doopsel communiceerden kinderen, al weet men niet met welke frequentie. Het vierde concilie van Lateranen (1215) verbood niet de communie aan onmondige kinderen, maar regelde alleen de verplichting van de paascommunie voor wie ‘tot de jaren van verstand’ waren gekomen. Ook het concilie van Trente keerde zich niet tegen de oude praktijk, hoewel het bepaalde dat voor kinderen die nog niet tot de jaren van verstand zijn gekomen, de eucharistische communie niet noodzakelijk is ter zaligheid. Uit een verkeerde interpretatie van Trente resulteerde in het Westen wel het verbod op de doopcommunie voor kleine kinderen.
Een eeuwenlange discussie ontstond over de betekenis van het Lateraanse ‘jaren van verstand’ of ‘jaren des onderscheids’. Specialisten in canoniek recht hielden het op de leeftijd van zeven jaar, maar onder invloed van theologen die meer nadruk legden op het ex opere operantis, en vooral van de catechese na Trente, die een waardige voorbereiding eiste, verschoof de leeftijdsgrens naar 10-14 jaar. Paus Pius X bepaalde de leeftijd voor de eerste communie ‘rond het zevende jaar, soms iets eerder, soms iets later’.
De verantwoordelijkheid voor de eerste communie wordt door de Rooms-Katholieke Kerk vooral bij de ouders gelegd, terwijl de pastoor een veeleer toeziende functie heeft. In katholieke landen werd en wordt de eerste communie nog vaak via het katholiek onderwijs georganiseerd.
Auteur: Stijn van den Bossche uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)
| Auteur: | Dr. F.J. Heggen |
| ISBN: | – geen – |





