Beschrijving
Oud-Testamentische Kanoniek
De schrijver heeft jaren dit vak gedoceerd en het is daarom van betekenis naar hem te luisteren. Het is ook van de allergrootste betekenis dat wij nu een gereformeerde canoniek van het O. T. bezitten; tot heden misten wij zulk een werk. Wel hadden wij reeds veel ontvangen in de „Inleidingen” op de deeltjes der bekende „Korte Verklaring” en daarvan is een dankbaar gebruik gemaakt. Nu hebben wij, naast de werken van de hoogleraren Grosheide en Greijdanus over het N. T. een degelijk werk over het O. T.
De schrijver behandelt in een „Inleiding”: naam, begrip, taak, uitgangspunt, methode en geschiedenis der O Testamentische canoniek. Het uitgangspunt is voor de schrijver natuurlijk het goddelijk gezag der Heilige Schrift. Zie, dat is van de grootste betekenis. Dat uitgangspunt is ook wetenschappelijk te verdedigen. Heel belangrijke zaken worden in deze „Inleiding” aan de orde gesteld.
Daarna behandelt de schrijver de algemene canoniek. De algemene canoniek houdt zich bezig met de wording van het geheel; de bijzondere richt zich op elk boek afzonderlijk. In dit deel wordt besproken: de verzameling, de erkenning, de indeling, de omvang en de idee van de canon. Het laatste gedeelte is ook van betekenis in een gereformeerde canoniek. Het is zo jammer dat er niet meer aandacht aan gewijd kan worden bij de bespreking van elk boek. Dit is echter alleen mogelijk in een afzonderlijk deel.
Natuurlijk volgt nu de beschrijving van de bijzondere canoniek. Eerst wordt, in 11 paragrafen, de „Wet” besproken, het eerste deel van de Hebreeuwse canon; daarna „de vroegere” en „de latere” profeten; dit geschiedt in 24 paragrafen. En in het derde deel volgt de behandeling van „de geschriften”, welke het laatste deel van de Hebreeuwse canon vormen. Besproken worden eerst de boeken Job, Spreuken en Psalmen; daarna de vijf „rollen”: Het Hooglied, het boek Ruth, de Klaagliederen, de Prediker en het boek Esther; tenslotte de boeken Daniël, Ezra-Nehemia en Kronieken.
In dit boek is een ervaren vakman aan het woord, naar wien gaarne geluisterd wordt. Dr. Aalders poneert maar niet wat, doch argumenteert zo nauwkeurig mogelijk zijn opvatting. Telkens blijkt zijn grote eerbied voor de Schrift en bewijst hij zijn aparte kennis op dit terrein. Wij zijn zeer dankbaar voor deze dingen. Ik noem als voorbeeld de bijzondere canoniek over Jesaja. Onze hooggeachte collega concludeert dat Jesaja ook de auteur is van de capita 40— 66. Dat verblijdt ons. Wij weten best dat het goddelijk gezag van een boek niet ontkend wordt, wanneer over de vraag: Wie is de schrijver secundarius? verschillend gedacht wordt. Dan kan men met Dr. Aalders verschillen, meermalen zelfs, maar bij Jesaja komen zo heel veel vraagstukken aan de orde. Er is wel meer te noemen, wat verschil van gedachte constateert, zonder dat daarmee het goddelijk gezag van de Heilige Schrift in gedrang komt. Ik denk b.v. aan de kwestie der post-Mosaïca, enz. Over de door Dr. Aalders aangevoerde teksten loopt de exegese nog al eens uiteen. Het gaat niet aan om in dit artikel hier op in te gaan. Evenmin op de vraag:
Heeft Mozes heel de Pentateuch geschreven? Een klein gedeelte van het laatste hoofdstuk dan uitgezonderd. Ons kan nooit bevredigen de gedachte, dat Jezus Zich aansloot bij de mening der Joden (en dus wel wist dat het anders was) en daarom zo maar sprak, bld. 132. Wij vinden dat ook wel een beetje in strijd met wat de schrijver op de bld. 11 en 12 poneert. Wij weten heel goed dat het daar niet over dezelfde kwestie gaat, maar ze liggen, m.i. wel op één lijn. Er is veel meer te noemen, maar de enkele opmerkingen zijn genoeg om Dr. Aalders te doen weten dat wij altijd nauwkeurig kennis genomen hebben van al wat hij schreef. Al de opgeworpen kwesties hebben wij op de colleges niet behandeld zonder zijn zienswijze ook te bespreken. Dr. Aalders zou het zeker niet altijd met ondergetekende eens zijn geweest, maar verdraagt en begrijpt ook goed de mening van een ander, die met hem geen ander uitgangspunt heeft.
Wij feliciteren onze hooggeachte collega met het volbrengen van deze taak. De Heere zegene hem verder in de arbeid, welke hij dag aan dag nog voortzet.
L.H. van der Meiden
Bron: De Wekker 24-12-1952
Zie voor verdere TOELICHTING ook de INLEIDING van het boek !
| Auteur: | Dr. G.Ch. Aalders (1880-1961), jarenlang hoogleraar Oude Testament aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. |
| ISBNr: | — geen — |





