Beschrijving
Ik ben ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij. Psalm 40 : 18.
Dit is een woord als een donkere wolk: Ik ben ellendig en nooddruftig. Doch er is een licht in, een zacht, mild schijnend licht: De Heere denkt aan mij.
Met aarzeling gaat de jongen naar school, want hem wacht een moeilijk proefwerk, waarvan veel afhangt. Maar moeder legt hem bij het weggaan de hand op den schouder en zegt: Ik zal vanmorgen aan je denken hoor! Dat steekt hem een hart onder den riem; want gedachten van moeder zijn goed en sterk, ze geven moed en blijdschap.
Wij zijn allen ellendig (dat is nederge-bogen, gedrukt) en nooddruftig (dat is niets-hebbende), want het proefwerk dat ons in ons leven elken dag wordt opgegeven, ligt ons slecht en we zijn beducht voor den uitslag. Wij bederven veel en overmaken is onmogelijk. En de omstandigheden waaronder wij de taak moeten vervullen, zijn ongunstig: de aarde waarop wij leven en sterven, is bezwaard door het bloed en de graven van millioenen onrechtvaardig ge-dooden, en om ons heen woelen de menschen, die zijn als wijzelve: zelfzuchtig, genotzuchtig, zonder geloof en schuldig voor God en anderen.
Maar er is een Maar: De Heere denkt aan ons.
Men kan ook vertalen: De Heere zorgt voor mij. In die korte woorden ligt meer dan iemand onder woorden kan brengen. Daarin is de zegenende bewarende hand Gods vlakbij. Het is het Evangelie van Gods gedachten en daden, die in Christus gedachten en daden van genade en vrede zijn: Hij heeft gedacht aan Zijn genade. God, die sterk is en goed, sterker en beter dan zelfs een moeder kan zijn, is onze Verzorger, de barmhartige Samaritaan die is afgeweken van Zijn weg om te helpen, de groote Diaken met een mild hart en een zachte hand.
Dan blijven de nooden, de afgronden, de moeilijkheden, het bloed en de dood en het graf maar grooter dan de Helper Is de nood toch niet. Als we dat eens echt konden gelooven.
Dan zou het groote proefwerk toch nog goed kunnen afloopen.
Dan zou temidden van alle ellende en nooddruft er een Maar zijn, dat moed en blijdschap in het hart stort.
En nu op dit oogenblik God het ons zegt, mogen we het gelooven.
Dat voorrecht grijpen we aan.
Die schat verliezen we nooit weer: de schat van het groote, ongeloofelijke, onbegrijpelijke Maar:
Maar de Heere denkt aan mij.
Bron: Diakonia Publicatiedatum: 01-09-1938 Auteur(s): Prof. Dr Joh. de Groot
Brandende kaarsen, 22.
Zie voor verdere TOELICHTING ook de TITELPAGINA van het boek !
| Auteur: | Prof.Dr. Joh. de Groot |
| ISBNr: | – – geen – – |





